Het stemmingslandschap van Husly

De basis voor het huidige terrein is gelegd door het echtpaar Van Plettenberg. De heer des huizes, Joachim baron van Plettenburg (geboren in 1739 te Leeuwarden), had diverse belangrijke functies bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie. In 1764 vertrekt hij als raad-extraordinaris van Indië met het schip Amerongen naar Indië. Na verschillende functies eindigt hij als gouverneur in Kaap de Goede Hoop. In 1783 wordt hij eervol ontslagen, twee jaar later keert hij naar Nederland terug en vestigt zich op Huis Windesheim bij Zwolle. Met zijn vrouw Charlotte Feith heeft Van Plettenberg een grote rol gespeeld bij de ontwikkeling van Windesheim zoals we dat nu kennen. In hun opdracht stelde Jacob Otten Husly in 1789 een advies op voor een grootschalige tuin- en parkaanleg die tot op de dag van vandaag de structuur van de buitenplaats bepaalt. Baron van Plettenburg kan maar kort van zijn werk genieten; hij overlijdt in 1793. De realisatie van de buitenplaats was waarschijnlijk nog in volle gang.

Husly
Jacob Otten Husly (1738-1796), zoon van Albert Otten en Anna Hendrica Huslij, verhuisde op jonge leeftijd vanuit Doetinchem naar Amsterdam om daar onder leiding van zijn ooms, befaamde stucdecorateurs, het stucwerkvak te leren. Husly ontwikkelt zich vervolgens tot architect. In 1758 was hij mede-oprichter van de maatschappij ‘Vriendschap vereenigt de Kunsten’, een directe voorloper van de Stadsteken-academie, een instelling die een belangrijke rol zou spelen in het Amsterdamse culturele leven. Otten Husly werd later directeur van de Stadstekenacademie. Otten Husly’s bekendste ontwerp is waarschijnlijk dat voor het nieuwe gebouw van het genootschap Felix Meritis (1787-1789) in Amsterdam. Nog imposanter is zijn ontwerp voor het stadhuis van Groningen uit 1787.

Het advies
In 1789 stelde Otten Husly het advies op voor het landschapspark Windesheim, in opdracht van het echtpaar Van Plettenberg-Feith. Husly ontwierp een tuin volgens de landschappelijke tuinstijl, die in de achttiende eeuw opkwam. De parkaanleg kende een losse, natuurlijk ogende opzet met slingerpaden en kronkelvijvers (Serpentines). In de parkaanleg bevonden zich voor die tijd kenmerkende elementen als een ‘Temple champetre’ (tuinkoepel) en een ‘Temple Chinoise’ (Chinese koepel) waarin een beeld van de godin Flora was geplaatst. Op een kunstmatig aangelegde verhoging, een bergje, stond een solitude of ‘klein open verblijf’.

Lossere stijl
Terwijl de gebouwen in die tijd een formeel en streng uiterlijk kregen, werd bij de tuinaanleg voor een lossere stijl gekozen. Men wilde geen geometrisch geordende tuinen meer à la Versailles, maar ‘echte’, zij het wel zorgvuldig ontworpen natuur. Deze echte natuur verkreeg men door de mooiste plekken uit de natuur in één tuin te concentreren en aldus een soort Arcadië te creëren met vijvers, kronkelige stroompjes en paden, tempeltjes, treurbomen en dergelijke. Een wandeling door de tuin bracht de bezoeker langs een aantal klassieke literaire en filosofische thema’s. Later, onder invloed van de romantiek, wilde men naast mooie ook huiveringwekkende en spannende sfeerbeelden oproepen. Deze stroming staat bekend als ‘the beauty and the sublime’, waarin ‘variety’ en ‘imagination’ centraal staan. Deze ontwikkeling in de tuinkunst heeft vanaf omstreeks 1760 voor grootschalige transformatie van het Nederlandse landschap gezorgd, ook in Windesheim.

Rechtlijnige lanenstructuur
Husly zal bij zijn bezoek aan het terrein (eind 1788 of begin 1789) met de uitgangsituatie zijn geconfronteerd zoals zichtbaar op de topografische kaart van de Linie van de IJssel uit 1783, waarbij het huis Windesheim aan alle kanten in een rechtlijnige lanenstructuur ligt ingebed. Husly handhaaft een deel van de oude lanen, integreert ze in zijn plan. Hij kleedt ze behendig in door nieuwe beplanting erlangs te slingeren en onregelmatig aan te brengen:

       ‘En in de Bosquetten worden differente opgaande boomen hier en daar gezet als Larix, Populieren, Dennen, enz. op stam. Zoo dat de opgaande boomen der tegenswoordige bepooting van de Laanen die in deze Bosquetten vallen hier en daar kunnen blijven staan, mits niet te regulier dus de slegsten worden uitgerooid.’

Sturing opdrachtgever
De opdrachtgever heeft zonder twijfel sturing gegeven aan het parkontwerp. Tuinhistoricus Erik de Jong heeft in het tijdschrift Groen (1990, nr. 7) er op gewezen dat de inbreng van opdrachtgever Plettenberg in dit verband niet moet worden onderschat; gezien de verhandelingen over eigentijdse tuinkunst in diens nagelaten bibliotheek moet hij gezien worden als een dilettant (amateur-expert). In de bibliotheek van de weduwe Van Plettenberg is onder meer een Franse vertaling aangetroffen van Hirschfeld’s ‘theorie der Gartenkunst’ uit 1779-1785, een groot Duits standaardwerk op het gebied van de landschapskunst.

Reiservaring
Otten Husly moet zelf ook bijzonder goed op de hoogte te zijn geweest van de ontwikkelingen op het gebied van de tuinarchitectuur in die tijd om zich succesvol op dat vakgebied te kunnen bewegen. Bekend is dat Husly het boek ‘L’Art de former les jardins modernes ou l’art des jardins anglais’ uit 1771 van Latapie bezat, wat volgens De Jong een vertaling is van Thomas Whatleys ‘Observations on modern Gardening’ (1770), waarin een uitgebreide verhandeling gegeven wordt over de landschapsstijl. Bekend is ook dat Otten Husly met landgenoten aan het einde van de de 18e eeuw naar de Oost-Duitse steden Bentheim en Burgsteinfurt reisde, toen enkele van de meest populaire vakantiebestemmingen voor Nederlanders in het buitenland. Hij gebruikte zijn reiservaringen voor twee lezingen die hij na thuiskomst gaf in de sociëteiten Concordia et Libertate en Felix Meritis. Zijn teksten hebben het niet overleefd, maar reisverslagen van tijdgenoten, zoals de arts en zoöloog Petrus Camper, een vriend van Husly, maken het mogelijk zijn reis te reconstrueren. Otten Husly bezocht onder meer de Steinfurtse Bagno, vlakbij Burgsteinfurt. Het was een lusthof aangelegd door graaf zu Bentheim-Steinfurt. Vlakbij bij het gelijknamige slot schiep de graaf een exotisch park in landschapsstijl met een Chinees paleis en een Griekse tempel, fonteintjes en cascadeterrassen. Ongetwijfeld liet Otten Husly zich in zijn ontwerpwerk door zijn reiservaring inspireren.

Image

‘Natuurlijkheid’ en ‘onregelmatigheid’
Met Husly’s advies in briefvorm uit 1789 is een nauwkeurige beschrijving van het ontwerp bewaard gebleven. Uit het advies blijkt dat Husly zich zowel met de praktische als de theoretische kant van het ontwerp bezig heeft gehouden. Uit het manuscript blijkt dat Husly’s gedachten vooral de watervoorziening, accidentatie, beplanting en stoffering betreffen, dit alles ten behoeve van een gevarieerde wandeling met verschillende uitzichten. De praktische ingrepen in het landschap (graven, ophogen, enzovoorts) zijn hem ingegeven door de theoretische eis van ‘natuurlijkheid’ en ‘onregelmatigheid’ en het scheppen van een ‘stemmingslandschap’, aldus De Jong in zijn artikel ‘Architectuur en landschap, Jacob Otten Husly als theoreticus’ uit 1990.

Stemmingslandschap
Het duidelijkste voorbeeld van zo’n stemmingslandschap is het onbereikbare eiland in de Slingervijver aldus De Jong: ‘Oneffen, bergachtig en onregelmatig beplant vormde het als het ware een levend landschapsschilderij, dat contrasteert met de geacheveerde behandeling van de met groene zoden bedekte waterkanten van de slingervijver. Onbereikbaar voor de wandelaar, vervult de op het eiland geplaatste urn die als achtergrond een treurwilg en een spar heeft, de toeschouwer met een gevoel van melancholie en droefheid. Een ontwikkelde tijdgenoot kon ongetwijfeld weten dat Husly deze compositie had ontleend aan een van de meest beroemde voortbrengselen van de toen ‘moderne’ landschapskunst: het eiland met het graf van Rousseau in Ermenonville.’

Het eiland lag in het meer dichte tuingedeelte met bosquetten, direct tegen het huis aan. Een van Husly’s eerste zorgen was hoe hij water een rol in zijn ontwerp kon laten spelen. Zijn ideeën voor slingervijvers met een eiland, een kleinere vijver in de zichtas van het huis en een drinkplaats voor koeien waren ervan afhankelijk. Als spiegelend, levend element in het park was het water van het grootste belang voor de esthetiek van zijn ontwerp en voor de beleving van de natuur door de wandelaar.

Daarvoor moest hij wel de waterstand iets verhogen en het waterpas graven. Nauwkeurig geeft Husly in zijn brief aan hoe de slingering van de waterlopen vormgegeven en bekleed moesten worden. De taluds moesten met ‘zagte en aangename helling…’ worden aangelegd en met groene zoden bedekt.

Beplanting langs de vijverpartijen moest soms tot aan het water doorlopen, zodat men de slingervijver niet geheel langs kon wandelen en in één keer kon overzien. Ook de breedte van het wandelpad langs de vijver wisselde evenals de breedte van de watergang zelf. Het natuurlijk effect moest gehandhaafd blijven, eentonigheid van de wandeling moest worden voorkomen.

Afwisseling en onregelmatigheid moesten het ontwerp en dus ook de beleving ervan in alles bepalen, aldus De Jong. Husly speelde met afwisseling in licht en donker, warmte en koelte, dat al lopend via een wandeling ervaren werd. Hij zette daarbij ook de beplanting zelf in, dat gold als verf op het palet van de landschapsschilder:

       ‘De Bosquetten ter weerszyde van den Slinger Vyver moeten van Elzen, Eiken, en ander hakhout zijn waar in byzonder geobserveert moet worden het verschil van groen en dezelver kleur, ieder Bosquet moetdus van verschillend hout zyn dat daar ’t best wil groeyen. Haagen komen er geheel niet te pas.’

Bijzondere bomen, heesters en bloemperken werden ingezet om bepaalde plekken te accentueren. Op het eiland in de slingervijver (met de urn) stelde Husly treurwilg, spar en populier (Zilverboomen) voor. Aangrenzend aan het eiland stelde Hij lindes en kastanjes voor, waarbij sommige exemplaren met stokrozen, rozen en zonnebloemen tegen de stammen waren gedacht. Ook in het Engelsch Bosch of de Engelsche Tuin, iets oostelijker gelegen (aan de rechterzijde van de zichtas van het huis richting de Zwolse toren), had Husly bloemen bedacht:

       ‘De Bosquetten binnen in geleegen behooren alle van vreemde Engelsche en Americaansche boomen, en gewassen te bestaan, die van tijd tot tijd bloeyen, of door verschillend blad, kleur, en gedaante bekoren, zoo moeten ook de buiten Bosquetten aan de zyde van deeze tuin uitkomende tegen het hakhout met vreemd geboomte naar de Teekening bezet worden, het overige wort met gras, en bloemperken afgedeelt naar ’t Plan, in agt neemende om het doorzigt uit deeze Tuin op het stukje bepoote Weiland te behouden als in ’t Plan is aangewezen.

Van de bijzondere soorten die Husly in zijn advies noemt zijn nog altijd exemplaren terug te vinden, zoals douglasspar, fijnspar, treurwilg, linde en kastanje. Het merendeel van de wandeling werd echter begeleid door eiken (en op enkele plaatsen beuken), onderling op regelmatige afstand geplaatst.

Husly kwam uitgaand van de natuurlijke gesteldheid van het terrein, de mogelijkheden van het landschap en met de internationale literatuur tot zijn beschikking, tot een heel eigen plan dat zich niet eenvoudig laat vergelijken met een ander park uit die tijd. De plantekening van Windesheim is helaas verloren gegaan, maar aan de hand van tekeningen van landschapsparken uit die tijd kunnen we ons toch een goed beeld van de sfeer en het gebruik vormen. Wat opvalt is de grote dichtheid aan paden en de tuinachtige inrichting van de Engelsche Bosch en omgeving. Het sluit aan bij de mode in die tijd en de beelden van vergelijkbare parken die op kunstwerken en oude tekeningen is terug te vinden.

De wandeling is de samenbindende factor in het plan van Husly. Het geheel is ontworpen vanuit het verlangen de wandelaar er fysiek, emotioneel en spiritueel bij te betrekken. De zorgvuldige combinatie van water, aarde en beplanting diende om stemmingen op te roepen. Dit deed Otten Husly door heel verschillende plekken en sferen te creëren die waren gegroepeerd langs een rondwandeling.

Contrast en doorzichten
Prachtig in contrast met het compact opgezette, vrij dichte parkgedeelte van het Engelsche Bosch (de Engelsche Tuin) en omgeving staat het voorstel van Husly voor de landschappelijke wandeling verder achterop het terrein. Volgens zijn advies kwam hier een slingerpad door een ruim opgezet landschapspark. Deze wandeling leidde langs diverse markeringspunten. Doorzichten werden gecreëerd naar de nabijgelegen molen, een weiland en een bestaande boerderij met op de achtergrond de kerk van Windesheim.

Abreuvoir (drinkplaats voor koeien)
In Husly’s concept speelde een bergje met ervoor een abreuvoir ofwel drinkplaats voor koeien een belangrijke rol. De in groepjes drenkende koeien, hun bewegingen en de melkende boeren brachten een gevoel van landelijkheid met zich mee en verhoogden de esthetische kwaliteit van het landschap ter plaatse. De koeien zijn te zien als schilderachtige elementen in een landschappelijke compositie.

Agrarisch decor: (brandrode) runderen
Heden ten dage lopen in de weilanden van het Parkbos wel eens de brandrode runderen van het ecolgische bedrijf Overesch (www.overesch.nl). Het is een ras dat hier van oorsprong thuis hoort. Ze kunnen goed leven op de sobere graslanden. De kalveren blijven bij hun moeder. Brandrode runderen zijn middelgroot. Het zijn rustige en vriendelijke dieren, voor elkaar en voor de mens, wat hen goed hanteerbaar maakt. Het lekkere vlees van deze brandrode rund is verkrijgbaar in de ecologische winkel van Overesch aan de Hondemotsweg 40 in Raalte.

Geleende landschap
Het (agrarische) landschap in de directe omgeving werd zo gebruikt ter versterking van de ‘pastorale idylle’ en de beleving van het parklandschap; een principe uit de landschapsstijl dat bekend staat als ‘the borrowed landscape’. Agrarisch landschap en tuinlandschap vloeiden hier subtiel in elkaar over en bij beide kreeg de wandelaar tal van pastorale associaties.

Grote landschappelijke eenheden
Husly’s manuscript illustreert op unieke en directe wijze de nieuwe benaderingswijze van natuur en kunst. Hij componeerde niet een wandeling met een opeenvolging van statische landschappelijke ‘beelden’ gestoffeerd met tuinsieraden, zoals in de jaren zeventig en tachtig van de achttiende eeuw gebruikelijk was, maar dacht in grote landschappelijke eenheden. Zijn plan kenmerkt zich door de tegenstelling van het dichte, compacte wandelbos met vijvers, doorzichten en een stoffage van urn en Chinese brug aan de ene kant met een open weidelandschap, zichtbaar vanaf diverse kunstmatige hoogtes, dat gekarakteriseerd wordt door pastorale uitzichten en een stoffage van koeien, een boerderij en een molen.

Enig in zijn soort
Het is voor zover bekend de enige keer dat Otten Husly zich heeft bezig gehouden met de landschapsarchitectuur, wat Windesheim in cultuur- en tuinhistorisch opzicht zeer bijzonder maakt. Husly’s manuscript waarin de achterliggende principes uitvoerig en uit de eerste hand zijn beschreven, is bewaard gebleven. De plattegrond waarvan in het advies wordt gesproken, is helaas verdwenen. Maar op basis van de minuutplankaart uit 1811 kunnen we ons een vrij goed beeld vormen van de oorspronkelijke parkaanleg.